Paul van Tongeren, Emeritus Hoogleraar Wijsgerige Ethiek: ''Wij leven in een wereld vol betekenissen die wij niet zelf toekennen, maar interpreteren in reactie op wat we waarnemen.''
- 1 dag geleden
- 26 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 9 uur geleden

Auteur : Edward van den Boorn
Fotografie : Merlijn Doomernik
Grafisch Ontwerp : NC Development
Naarden-Vesting ׀ Juli 2026
In de reeks dialogen onder de naam ‘PODIUM’ zet Capita Selecta bijzondere en inspirerende personen en/of organisaties in de schijnwerpers. Tijdens deze gesprekken komen o.a. begrippen als leiderschap, wijsheid, verantwoordelijkheid, en persoonlijke en professionele drijfveren ter sprake. Visie, missie en strategie worden geplaatst in de samenhang tussen het maatschappelijke, het organisatorische en het individuele niveau.
Wij spraken met de heer Paul van Tongeren (Deventer, 1950), Emeritus Hoogleraar Wijsgerige Ethiek en Denker des Vaderlands (2021-2023). Hij studeerde Theologie in Utrecht en Filosofie in Leuven. In Leuven promoveerde hij op een proefschrift over Nietzsches moraalkritiek. Naast het universitaire onderwijs gaf Paul van Tongeren lezingen en gastcolleges voor particuliere bedrijven en publieke organisaties in een groot aantal landen, en publiceerde hij in vele talen. In 2002 werd hij koninklijk onderscheiden en benoemd tot ‘Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw’.
In onze dialoog passeren o.a. de begrippen (nieuw) leiderschap, weten, wijsheid, leider en manager, verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, complexiteit en dilemma. Wat kan de filosoof bijdragen aan besluitvormingsprocessen binnen organisaties?
INTRODUCTIE
Voor Paul van Tongeren begint de Filosofie met het stellen van vragen. Inzicht wordt omwille van zichzelf nagestreefd, en om niets anders dan het genot van het inzicht zelf. Zélf een gedachte actief te denken, dát is volgens hem een genot. Zijn denken kent een voortdurende gerichtheid op de vragen wat écht waar is, wat écht goed is en wat écht mooi is.
Paul van Tongeren stelt dat ‘Het goede is datgene wat we zoeken, ook al wordt het nooit gevonden of vastgesteld. En toch moet je blijven zoeken.’ Door het kijken in de spiegel kom je tot zelfinzicht. In de interactie en communicatie met andere mensen toets je dat; mens ben je uitsluitend in de verhouding tot anderen. Wijsheid definieert Paul van Tongeren als ‘het vermogen te kunnen omgaan met wat je niet weet of wat je niet kan’.
‘Dialoog’ wordt onder andere gedefinieerd als ‘een open, gelijkwaardig gesprek tussen twee of meer personen. Het doel is om kennis, ervaringen en ideeën uit te wisselen, waarbij écht luisteren en begrip voor elkaars standpunten centraal staan.’ De dialoog met Paul van Tongeren maakt op een inspirerende wijze het belang van taal en woordkeuze duidelijk. Paul van Tongeren kiest zijn woorden zorgvuldig en plaatst deze immer in een context. Zijn uitleg is gestructureerd, en regelmatig niet eenvoudig. De door hem beschreven wereld en werkelijkheid zijn dat ook niet.
In dialoog zijn met Paul van Tongeren is een bijzondere en inspirerende ervaring. Hij stelt dat ‘wij allen de neiging hebben om complexiteit te reduceren tot iets hanteerbaars zodat het eenvoudiger wordt en we iets te pakken krijgen’. Welnu, om recht te doen aan de complexiteit moet met name de filosofische ethiek precies het omgekeerde doen: simplificatiereductie. We moeten de vereenvoudiging proberen te doorbreken om te laten zien dat zaken complexer zijn dan we denken dat ze zijn’. In dialoog zijn met Paul van Tongeren is dan ook een inspanning die meer vragen oproept dan beantwoordt. Onze zoektocht en het stellen van vragen overstijgt volgens hem de grenzen van de menselijke ervaring en het zintuiglijk waarneembare. In onze dialoog passeren o.a. de begrippen (nieuw) leiderschap, weten, wijsheid, leider en manager, verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, complexiteit en dilemma. Wat kan de filosoof bijdragen aan besluitvormingsprocessen binnen organisaties?
Wij nodigen u van harte uit een werkelijkheid te betreden vol context, betekenis en deugden.
DE DIALOOG
De begrippen ‘verwondering’ en ‘inzicht’ staan centraal in uw denken. Welke betekenis hebben deze voor u?
‘Verwondering’ vormt de basis van mijn onderzoekende grondhouding. Het maakt dat ik open sta voor de werkelijkheid zoals die verschijnt. Filosofie is de discipline die het betekenisniveau van ons bestaan centraal stelt. Wij leven in een wereld vol betekenissen die wij niet zelf toekennen, maar interpreteren in reactie op wat we waarnemen. Bij filosofische verwondering gaat om het doorbreken van vanzelfsprekendheden. Daardoor kan het moment ontstaan waarop je stopt met oordelen en je bewust kan worden van het mysterie van het bestaan. Mensen verlangen van nature naar inzicht. Het gaat daarbij niet uitsluitend om kennisverwerving, maar om het actief en zelf doordenken van ideeën. ‘Inzicht’ is iets dat omwille van zichzelf wordt nagestreefd, en om niets anders dan het genot van het inzicht zelf. Filosofie kan daarom een diep genot met zich meebrengen. Degene die dat niet kent, i.e. die niet de ervaring heeft van het genot om iets te snappen, iets te zien, inzicht in iets te hebben, die mist denk ik iets heel fundamenteels.
De mens als ‘bezield wezen’?
Ja, en bezieling als het onderscheidende kenmerk van andere zoogdieren. Het is een merkwaardige, hedendaagse mode om mens en dier gelijk te schakelen. Ik heb het ontstaan van dit fenomeen, dat zelfs tot een vanzelfsprekendheid is geworden, kunnen meemaken. Als een filosoof wel ergens beducht voor moet zijn is het voor vanzelfsprekendheden. Als je spreekt over het onderscheid tussen mens en dier krijg je steeds vaker de repliek “Ja, maar dat kunnen dieren toch ook?” of “Wij zijn toch ook (alleen maar) dieren?”
Als een filosoof wel ergens beducht voor moet zijn is het voor vanzelfsprekendheden.
Ja, wij behoren tot ‘de zoogdieren’. Tot een bepaald soort van dieren. Volgens de traditionele definitie zijn wij ook ‘animalia’ en is de mens “Animal Rationale”, Het eerste woord, ‘animal’, zegt ook letterlijk dat de mens ‘een bezield levend wezen’ is. Met de ‘differentia specifica’, zoals dat in de logica heet, van het ‘rationale’ onderscheiden wij ons echter van de andere dieren. Het maakt ons tot een specifiek dier. ‘Ratio’ is wat de Grieken ‘logos’ en wat wij ‘rede’ noemen. Het typische voor de mens is het kunnen ervaren dat inzicht een genot geeft dat anders en groter is dan welke nuttigheid of bruikbaarheid dan ook. Het onoplosbare preoccupeert je als probleem en maakt dat je naar een manier zoekt om het weg te krijgen. De échte oplossing bestaat echter uit het inzicht dat het probleem niet op te lossen is. In plaats van je te verstoppen achter schijnoplossingen kun je inzicht krijgen in de onoplosbaarheid daarvan. Daarmee is het probleem niet weg, maar er is iets in het genot van het inzicht daarin wat het lijden aan het probleem minstens verzacht.
Relativering?
Nee, dat denk ik niet. Ik ben heel huiverig voor het woord ‘relativeren’ omdat dat een soort van vrijheid suggereert die we niet hebben. ‘Relativeren’ betekent dat we iets in verband brengen met iets anders binnen een grotere ruimte. Bijvoorbeeld relateren aan de tijd, aan de cultuur of aan de geschiedenis. Daarmee verliest het zijn drukkende gewicht en loop je volgens mij het gevaar iets niet serieus te nemen. Het inzicht waarnaar ik vandaag verwijs is iets anders. Dát inzicht neemt zaken juist volledig serieus. Dat gaat over het inzicht, het besef, dat je jezelf er niet boven verheft, maar er op een totaal andere wijze in moet staan.
Daarin bevindt zich nog geen berusting?
Nee, daarin bevindt zich zeker geen berusting. Daarin zit niet de berusting die maakt dat je niet (meer) geïnteresseerd zou zijn in een antwoord. Niet geïnteresseerd zijn in een antwoord betekent dat je de vraag niet serieus neemt. Je zou hier het best de term ‘sublimatie’ gebruiken, i.e. je maakt van de miserie iets verhevens, iets ‘subliems’ of zelfs iets moois. Dat kan niet met relativeren omdat je het daarmee juist minder belangrijk maakt. Het is overigens een gedachte die ik aantrof bij een van mijn grote bronnen, Friedrich Nietzsche (1844-1900). In een korte tekst, waarin hij een schilderij beschrijft, deelt hij wat wij van de kunstenaars kunnen leren: de kunstenaars kunnen sublieme glans geven aan de wereld om ons heen. Ook als die slecht en naargeestig is. De kunstenaar doet dat op het doek of in steen of in muziek, wij moeten het in het echte leven proberen. Dit is wat de mens met zijn logos, met zijn denken, zoekt. Kunstenaars laten ons de wereld zien waardoor wij deze kunnen zien en ervaren op een wijze die volledig recht doet aan de werkelijkheid. Een manier die het kwalijke kwalijk, het slechte slecht en het goede goed laat zijn. Tegelijkertijd laten zij het dus zien op een manier die iets subliems heeft.
Wie bepaalt wat goed is?
In zekere zin bepaalt niemand dat. Er bestaat geen eenduidig antwoord op deze vraag. Er is geen autoriteit die het recht heeft om te bepalen wat goed is. Maar dat betekent niet dat er niet zoiets is als ‘het goede’. De combinatie van deze twee is moeilijk, maar tevens de kern van de zaak in de ethiek. Er is het goede, en niemand bepaalt dat. Ook jij zelf niet. En toch is het er. Hoe moet je er dan mee omgaan? Door te proberen het vinden.
Er is het goede, en niemand bepaalt dat. Ook jij zelf niet.
‘Het goede’ is datgene wat in de klassieke Griekse filosofie soms verschijnt als τὸ ζητούμενον (tò zēttoúmenon), i.e. ‘het gezochte’. Datgene wat we zoeken. Hetgeen wij zoeken moet leiding geven aan wat wij doen in het besef dat datgene wat we zoeken niet wordt aangeleverd of wordt voorgelegd. Niet door enige autoriteit, niet door enige vanzelfsprekendheid, niet door enige wet en niet door enige natuurnoodzaak. Om het nog paradoxaler te zeggen: het goede is datgene wat we zoeken, zonder dat het ooit wordt gevonden of vastgesteld.
Het goede is datgene wat we zoeken,
zonder dat het ooit wordt gevonden of vastgesteld.
Wat is het verschil tussen weten en wijsheid?
In de Comeniusleergangen waarbinnen ik actief ben bespreek ik het thema ‘Wijsheid in leiderschap’. Ik probeer daar altijd uit te leggen dat wijsheid bestaat in het vermogen te kunnen omgaan met precies hetgeen ik zojuist probeerde te duiden. Om te gaan met het probleem dat het in het leven gaat om ‘het goede’ en in het denken gaat om ‘het ware’. Ten aanzien van zowel het goede als ook het ware geldt dat beide gezocht worden, maar door niemand kunnen worden vastgesteld. Precies daardoor is het normatief ten aanzien van alles wat wij doen. In zekere zin staan wij dus onder het gebod om te zoeken naar iets dat niet vastgesteld kan worden.
Wij staan niet onder het gebod van een gebieder die we kunnen vragen wat wij dan moeten doen. ‘Wijsheid’ bestaat denk ik in het vermogen om daarmee te kunnen omgaan. Dat betekent niet dat het alleen maar gaat om wijsheid. Je moet namelijk ook een heleboel kunnen en weten in allerlei functies. En alles wat je moet kunnen en weten dat moet je zo goed mogelijk kunnen en zo goed mogelijk weten. Dat is echter nog steeds iets anders dan wijsheid. Dát bestaat namelijk in het om kunnen gaan met wat je niet weet of wat je niet kan.
‘Wijsheid’ bestaat in het om kunnen gaan met wat je niet weet of wat je niet kan.
Het begrip ‘deugd’ staat centraal in de ‘deugdethiek’. Dat is een begrip met een zekere strengheid en een gebod. Wat is ‘deugd’?
‘Deugd’ is een formeel begrip. Het betreft een gevormde houding. Je kunt gewend zijn iets zodanig te doen dat het een gewoonte wordt, een karaktertrek. Sommigen hebben de karaktertrek om altijd op een vriendelijke manier te reageren op wat er gezegd wordt. Andere mensen hebben de karaktertrek om altijd op een argwanende manier te reageren. Een karaktertrek die we goed noemen heet een deugd. Een ondeugd is een karaktertrek die we slecht noemen. Tot zover de formele uitleg. Zoals ik zojuist al aangaf: er bestaat echter geen vastgestelde inhoudelijke bepaling van ‘het goede’!
De inhoudelijke invulling van wat goede karaktertrekken zijn is uitgewerkt in tweeduizend jaar deugdethiek in alle mogelijke richtingen. Als uitgewerkte, systematische theorievorming startte deze met Aristoteles (384-322 v.Chr.). Centraal staan de vier kardinale deugden. Deze ‘kerndeugden’ zijn in feite de vier inhoudelijke kenmerken van elke deugd voordat we die een goede karaktertrek mogen noemen. Deze vier kerndeugden zijn:
· Wijsheid (‘Prudentia’) – Het om kunnen gaan met onzekerheid;
· Maat (‘Proportionaliteit’) - Het kunnen kiezen van het juiste midden;
· Moed - Het vermogen volhardend te zijn onder moeilijke omstandigheden;
· Rechtvaardigheid – Het vermogen om iedereen gelijk te behandelen.
Welk domein je ook neemt, bijvoorbeeld macht, geld, loyaliteit, vrijgevigheid of ambitie, het moet wijs, maatvol, moedig en rechtvaardig zijn voordat we ze goede karaktertrekken mogen noemen.
Echter, ook hier weer: nergens staat beschreven wat deze kenmerken inhouden of die voorschrijven hoe je ermee om moet gaan. De kunst is te blijven zoeken, ook al weet je dat het antwoord wellicht nooit gevonden wordt. En óók voor de ware filosoof is dit een enorme en lastige opgave. Ook die kan de sterke neiging hebben om ’s-avonds de televisie aan te zetten.
Wat verstaat u onder leiderschap?
(Glimlachend.) Ik wil daar twee punten over opmerken.
Ten eerste verbaas ik mij over terminologieën die opeens verschijnen en populair worden. ‘Leiderschap’ bestaat in de Angelsaksische business literatuur, en ook politiek, langer dan in Nederland. In ons land verscheen die term zo’n veertig jaar geleden. Waar komt de term vandaan en waarover spraken wij vóór die tijd?
In 1981 verscheen een prachtig boek van de Schots-Amerikaanse filosoof Alasdair MacIntyre (1929-2025) met de titel ‘After Virtue’ (‘Na[ar] de deugd’). Het betreft een zoektocht naar een samenhangend ethisch kader en het pleidooi voor deugdethiek. MacIntyre beschrijft in het begin de morele chaos waarin de wereld zich bevindt. In dit boek beschrijft hij drie typen van de moderne samenleving die hij bekritiseert: de Therapeut, de Manager en de Estheet.
‘De Manager’ staat in feite voor wat later ‘de leider’ of ‘het leiderschap’ is gaan heten. Dit heeft een dusdanig automatische klank gekregen dat iedereen denkt te weten waarover je spreekt. Dit gaat wringen en er ontstaat iets dat ‘ander leiderschap’ is gaan heten. Sinds vijf tot tien jaar heet dat ‘nieuw leiderschap’. De manier waarop zo’n term verandert, ontstaat of vanzelfsprekend wordt, dat is iets wat mij argwanend maakt. Mijn wat naïeve hypothese is dat ‘de manager’ en het managementjargon als te technisch of instrumenteel ervaren werden: de technicus van menselijk materiaal. Zo bezien kun je ‘Human Resource Management’ zien als een technische reductie van mensen. Een tegenwicht bleek nodig, en dat werd ‘de leider’. De leider werd daarmee een persoon maar was tegelijkertijd ook degene die aan de top van een organisatie stond.
‘New leadership’ staat voor de poging om van leiders weer gewone mensen te maken.
Het problematische was echter dat met deze ontwikkeling de afstand verkleind werd tussen (het technische) management en (het menselijke) leiderschap. Deze ‘menselijke (top-) leider’ werd echter zodanig hoog verheven dat deze niet meer leek op gewone mensen. De afstand was te groot geworden. Ik heb sterk de indruk dat ‘new leadership’, zoals het nu heet, een poging is om zaken bij elkaar te brengen en van leiders weer gewone mensen te maken. Kortom, ik wil niet zomaar meegaan in de vanzelfsprekendheid waarmee we geneigd zijn te speken over (nieuw) ‘leiderschap’, enzovoort.
Een andere opmerking die ik in dit verband wil maken is dat we attent moeten zijn ten aanzien van het moment waarop bepaalde terminologieën verschijnen. Er gebeurt iets in zo’n moment. Met name Michel Foucault (1926-1984) heeft altijd heel scherp geanalyseerd wat er gebeurt in een ontwikkeling, onder de zichtbare oppervlakte daarvan. ‘Het gebeuren’ speelt zich met name af in de wijze waarop het onzichtbaar gemaakt wordt. Hij spreekt van een disciplinering die ontstaat door bepaalde terminologieën. Dat soort wantrouwen is niet onbelangrijk.
Ten tweede, en dus vanuit mijn achtergrond in de filosofie en de ethiek, wil ik het volgende stellen ten aanzien van de begrippen ‘leiders’ en ‘leiderschap’. Een echte leider zou iemand moeten zijn die uiteindelijk maar één bekommernis heeft: dat het aan wie hij/zij leidinggeeft zo goed mogelijk gaat. Nietzsche heeft het over ‘leraren’ als leiders.
Een leraar neemt alleen maar dingen serieus met het oog op – en vanuit het belang van - zijn leerlingen. Zelfs zichzelf. Als je dat verbreedt dan zou je kunnen stellen dat een leider iemand is die alle dingen alleen maar ziet vanuit het perspectief van degenen aan wie hij of zij leidinggeeft.
Leiding geeft aan personen of aan de organisatie?
Nu ja, daar zie je al een eerste probleem. Want waaraan of aan wie geeft hij of zij leiding? En als ik dan verwijs naar mijn eerste, wantrouwige opmerking, dan denk ik, daar heb je het weer. De manager, die vanuit een technisch perspectief naar mensen keek als ‘human resource’, moest opeens leider worden ter identificatie en motivatie, en ter inspiratie, zoals dat tegenwoordig heet. Maar waaraan geeft ‘de leider’ nu eigenlijk leiding? Aan de organisatie! Hij of zij is eenvoudigweg de machinist(e) van de machine. Dus niet in de zin waarvan ik van een leider zou willen spreken.
Wie of wat leidt je eigenlijk en hoe krijg die twee bij elkaar?
Ik denk dat veel leidinggevenden/leiders dit als een probleem herkennen. Het is een probleem dat belangrijk is om over na te denken: wie of wat leid je eigenlijk? Verkoop je jezelf niet als leider van mensen om in feite leider van een business of organisatie te kunnen zijn? En als je je taak als leider serieus opvat als iemand die er uiteindelijk op gericht is dat het zo goed mogelijk gaat met de mensen aan wie hij/zij leidinggeeft, betekent dat dan niet dat deze moet leren nadenken over wat dat eigenlijk is ‘dat het zo goed mogelijk gaat met zijn/haar mensen’? Breder gesteld, dat je leert na te denken over ‘het welzijn en het goede voor de samenleving’. Loopt dit parallel met de belangen of interesses van de aandeelhouders? Zeer concrete vraagstukken zijn dus inderdaad als het ware verstopt in het merkwaardige en modieuze gebruik van het begrip ‘leiderschap’.
Ethiek is de kritische bezinning op ‘het juiste’ handelen.
‘Management’ betreft de technische invulling en uitvoering van een bepaald plan. Mijn invulling van het begrip leider of leraar verwijst naar het ontwikkelen van een visie op ‘wat goed is voor de mens en de samenleving’. De moraalfilosofie, de ethiek, denkt kritisch na over wat moreel juist of onjuist, wat goed en slecht is. Het is de kritische bezinning op ‘het juiste’ of het goede handelen. Deze tracht fundamentele vragen over waarden, normen, plichten en het goede leven te beantwoorden. Als ik dat vertaal naar de wereld die ik het beste ken, i.e. het onderwijs, dan is een voorbeeld van een typische visie ‘het opleiden van mensen die de samenleving over twintig jaren nodig heeft’. Dat wordt dan een visie genoemd.
Maar waarom? In een échte onderwijsvisie gaat het om een zo hoog mogelijke ontplooiing en een zo groot mogelijke ontwikkeling van wat een mens in zich heeft. En als ik over het individu heen kijk, wat een cultuur nodig heeft, misschien. Ik ben erop gericht dat degenen aan wie ik les geef zo breed mogelijk worden ‘gevormd’. Vervolgens moet ik vertalen wat dat voor de studenten betekent. Dus moet ik ze laten zien dat ik ze onderwijs geef in het licht van die visie. De toets die ik moet afnemen en de correcties geven een sturende mogelijkheid. Dit schema past een op een op het ontwikkelen van een visie zoals dat ook in het bedrijfsleven gebeurt. Ook daar gaat het om visie, het schetsen van een nastrevenswaardige horizon, het ‘meenemen’ en het motiveren van mensen, het meten en het bijsturen.
Een leider moet ‘weten’ wat goed is, en dus moet hij eigenlijk filosoof zijn.
Het essentiële is echter de vraag waarop een visie gericht is. Dit is ook de reden dat volgens Plato (427-347 v.Chr.) niet de beste filosoof koning moest worden, maar dat de koning eigenlijk filosoof moet zijn. Plato is veel aangevallen op zijn idee dat de filosoof koning zou moeten zijn. Ik ga dat niet verdedigen, er zitten allerlei kwalijke kanten aan en ten aanzien daarvan bestaan ook veel misverstanden. Én Plato heeft zich in de praktijk ook grondig vergist, maar belangrijk en centraal staat de idee dat een koning moet weten wat goed is, en moet dus eigenlijk filosoof zijn. Dat is dus iets anders dan dat de filosoof koning moet worden….
Terug naar het verschil tussen manager en leider: in de beantwoording van de vraag waarop een visie gericht is kun je het onderscheid maken tussen manager en leider. De leider blijft een manager als zijn visie niet verder gaat dan wat uiteindelijk een plan blijkt te zijn waar hij naar toe wil werken. Een stip op de horizon wordt dat dan genoemd. Als dat alleen maar wordt omschreven met (nuts-)begrippen als omvang en bestaanszekerheid, etc. dan blijft nog steeds de vraag staan waarom dat goed zou zijn. Het moet gaan om ‘het goede’.
In onze tijd wordt het begrip ‘duurzaam leiderschap’ veel gebruikt. Hoe verhoudt ‘duurzaamheid’ zich volgens u tot het klassieke begrip ‘rentmeesterschap? Oude wijn in nieuwe zakken?
Daarover wil ik twee zaken opmerken. Ten eerste is ‘oude wijn’ vaak heel goede wijn, anders dan het gezegde suggereert. Ten tweede is ook ‘duurzaam leiderschap’ een bepaalde invulling van wat ‘goed is’ die – hoe belangrijk ook - niet als vanzelfsprekendheid, als wisselgeld mag gaan fungeren.
Op welke wijze boordeelt u het begrip complexiteit?
Geconfronteerd met complexiteit of complexe problemen hebben wij allen de neiging om complexiteit te reduceren tot iets hanteerbaars zodat het eenvoudiger wordt en we iets te pakken krijgen. Dat kan zijn in de wetenschap, de techniek of eenvoudigweg in de omgang met gewone dagelijkse zaken. Welnu, in met name de filosofische ethiek moeten we precies het omgekeerde doen. Onze neiging om zaken hanteerbaar en, in dienst daarvan, eenvoudiger te maken, doet geen recht aan de complexiteit van de morele werkelijkheid. Want die reduceren we door zaken te versimpelen. Wat moeten we dus gaan doen als we filosofisch gaan nadenken over complexiteit? Simplificatiereductie! We moeten de vereenvoudiging proberen te doorbreken en te laten zien dat zaken complexer zijn dan we denken dat ze zijn.
We zijn geneigd om een moreel probleem te reduceren tot een eenvormig,
tweedimensionaal keuzeprobleem. Dat noemen we dan een ‘dilemma’.
Vanuit de ethiek doe ik dat door aan te geven dat we normaal gesproken geneigd zijn om een moreel probleem uiteindelijk te reduceren tot een tamelijk eenvormig, tweedimensionaal keuzeprobleem. Dat noemen we dan meestal een ‘dilemma’, hetgeen in dat verband een dwaas woord is. In feite geven we ons zelf daarmee een vrijbrief door te zeggen dat iets nooit zonder problemen is en dat we dus een keuze moeten maken, ‘de twee horens van de stier (dilemma)’. Het dwaze en gevaarlijke is dat mensen zichzelf dwingen tot een keuze die gerechtvaardigd wordt door het tot ‘zijn of haar keuze’ te kwalificeren. Dat doet dus onrecht aan het probleem. Je zou ook een dobbelsteen kunnen gooien. Dat laatste zou de keuze ook nog uitbesteden.
Je zou ook een dobbelsteen kunnen gooien, dat zou de keuze ook nog uitbesteden.
Een probleem kent veel kanten. Die moeten we proberen te zien en alle aspecten daarvan in kaart te brengen. Ik probeer te laten zien dat er in elk geval vier belangrijke en radicaal verschillende perspectieven bestaan van ethisch denken. En die zijn alle vier van belang, ze brengen namelijk alle vier belangrijke, maar radicaal verschillende aspecten aan het licht. Een probleem wordt daarmee complexer en daardoor moeilijker op te lossen. Maar wat wil je? Minder goed kijken zodat je makkelijker kan hanteren? Of wil je beter zien wat je eigenlijk in je vingers hebt en het lasteriger wordt om te hanteren?
Zal de filosoof besluitvormingsprocessen vergemakkelijken of brengt deze de zaken tot stilstand?
Dat laatste zeker niet. Dat zou zijn inspanning en bijdrage tot een mislukking maken. Dat kan natuurlijk wél de angst van de bestuurder zijn als deze een filosoof introduceert. Die angst is begrijpelijk, maar onnodig als de filosoof het goed doet én de kans krijgt om het goed te doen. Hij zal teamleden leren te zoeken en te vragen in het besef dat er geen definitief vastgesteld antwoord is.
De filosoof leert mensen om op het juiste moment een beslissing te nemen.
Niet te vroeg en niet te laat.
De filosoof brengt mensen de vaardigheid bij om op het juiste moment, en ten aanzien van de juiste zaken, een beslissing te nemen. Niet te vroeg en niet te laat. De filosoof draagt met name bij aan de houding om te blijven zoeken. Hij maakt dat de goede leidinggevende op het juiste moment tot een beslissing komt omdat de praktische omstandigheden dat onvermijdelijk maken. De goede leidinggevende, die zich terdege realiseert dat ze er niet uitkomt, en toch blijft zoeken. Dán slaagt het.
Zijn er in duizenden jaren Westerse filosofie centrale thema’s en gedachten vast te stellen?
In zekere zin kun je zeggen dat de thema’s van Plato de geschiedenis van de Westerse filosofie zijn. Door de geschiedenis heen zijn ze op verschillende momenten en manieren samengevat.
Een eerste voorbeeld betreft de drie beroemde vragen van Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1724-1804). Deze zijn:
· Wat kan ik weten? Wat is kennis? Wat is waarheid?
· Wat moet ik doen? Is er zoiets als een plicht? Wat zijn de deugden? Wat is het goede?
· Wat mag ik hopen? Op welke manier moet ik omgaan met datgene wat ik niet kan weten? Wat ik niet kan vaststellen? Waarover kan ik geen zekerheid hebben?
Een tweede voorbeeld waarop de filosofische kernthema’s werden samengevat zijn de transcedentalia van de Middeleeuwse Scholastiek, i.e. de meest fundamentele, algemene eigenschappen van het 'zijn'. Deze zijn: bonum, verum et pulchrum (het goede, het ware en het schone). Het zijn de drie domeinen waarmee vragen zich bezighoudt.
Wat is nu eigenlijk ‘kwaliteit’? Die vraag stellen leer je bij Plato.
Plato heeft het in feite over één alomvattende kernvraag: Wat is kwaliteit? Plato zou meer gelezen en begrepen moeten worden. Oók en vooral in het publieke en private domein op bestuurlijk niveau. Je ziet zeer regelmatig inspanningen om kwaliteit te meten, hoe je het kan borgen en op welke wijze je het kunt verbeteren. Maar wat ‘kwaliteit’ nu eigenlijk is, die vraag wordt eigenlijk nooit gesteld. Die vraag stellen leer je bij Plato.
En ja, er zijn in de filosofie eeuwige thema’s, maar die zijn zó omvangrijk…..
Op welke wijze definieert u het begrip ‘verantwoordelijkheid’, bijvoorbeeld in relatie tot Jean-Paul Sartre’s begrip ‘autonome verantwoordelijkheid’?
Breek me af als ik te lang praat, maar dit zijn hele grote begrippen die ik niet zomaar kan duiden met een quote. De vraag ‘Wat is verantwoordelijkheid?’ heb ik uitgebreid bestudeerd. Ik heb dat op een wijze gedaan die ik vaker toepas, en heb gekeken hoe dit begrip zich heeft ontwikkeld in de geschiedenis van de ethiek.
Mijn conclusie was dat het begrip ‘verantwoordelijkheid in tweeëneenhalf duizend jaar filosofiegeschiedenis nauwelijks een rol speelt. Je komt het gedurende het grootste deel van de tijd niet tegen. Wanneer verschijnt het? In de recente geschiedenis. Er zijn drie grote momenten waarop het begrip verantwoordelijkheid zeer dominant naar voren komt.
Ten eerste brengt Max Weber (1864-1920) het begrip ‘Verantwortungsethik’ naar voren: je bent verantwoordelijk voor de voorzienbare (soms negatieve) gevolgen van je daden en draagt daar verantwoordelijkheid voor. Dit is sterk gelieerd aan de ervaring van de Eerste Wereldoorlog en de tijd daarna, de Tweede Wereldoorlog, de grootste oorlogswaanzin die de Europese geschiedenis gekend heeft. De machten en krachten die elkaar daar ontmoetten en bestreden hebben, hadden een bepaal ideaal, een stip op de horizon en een visie, enzovoort. Zij dachten te doen wat ze moesten doen, of wat goed was om te doen. Het tweede voorbeeld stamt uit de jaren vijftig van de vorige eeuw, de periode van de wapenwedloop. Door ons zelf te willen beschermen hebben we de wereld alleen maar gevaarlijker gemaakt. Dit was de tijd van het Existentialisme van Jean-Paul Sartre (1905-1980) en waarin het begrip verantwoordelijkheid een centraal begrip is: je bent (ook) verantwoordelijk voor de zaken die je niet hebt gedaan of de beslissingen die je niet hebt genomen. Het derde voorbeeld betreft de milieucrisis die in beeld kwam met het rapport ‘Grenzen aan de groei’ (1972) van de Club van Rome.
Dit zijn in feite drie voorbeelden van tragische crises. Wat laten zij zien? Dat we met alles wat we gedaan hebben, en aan het doen zijn, ons leven niet beter maken maar juist slechter. We kunnen deze drie voorbeelden zien als voorbeelden van de klassieke Griekse tragedie. De échte tragedie in bijvoorbeeld ‘Oedipus Rex’ (Sophocles, 496-406 v.Chr.) bestaat niet zozeer uit het feit dat Oedipus zijn vader vermoordt, maar dat hij zijn vader vermoordt in een poging dit juist niet te doen.
En wat doen wij met grote problemen? Die versimpelen we door van ‘verantwoordelijkheid’ ‘aansprakelijkheid’ te maken, en te vragen waar we de rekening kunnen indienen.
Het tragische besef uit deze voorbeelden is gelegen in het feit dat wij eigenlijk niet kúnnen zorgen dat het goed gaat, tenzij wij het risico accepteren dat we het tegenovergestelde bereiken. Op dát soort momenten verschijnt het begrip verantwoordelijkheid dat zegt ‘je bent verantwoordelijk voor je daden’. Dát begrip van verantwoordelijkheid, dat verschijnt bij Emmanuel Levinas (1906-1995), Weber en Sartre, was dus eigenlijk een tragisch begrip. Het ontstaat uit een tragische ervaring. We kúnnen niet, maar we moeten. Dat is dus een groot probleem. En wat doen wij met grote problemen? Die versimpelen we door van ‘verantwoordelijkheid’ ‘aansprakelijkheid’ te maken en te vragen waar we de rekening kunnen indienen.
Op naar een nieuw begrijpen van ‘verantwoordelijkheid?
Jazeker. Het voorgaande nodigt ons uit om verder na te denken over het begrip ‘verantwoordelijkheid’. Om het hanteerbaar te maken hebben we het dusdanig versimpeld dat het geen recht meer doet aan wat we willen. Het begrip moet opnieuw doordacht worden; op een rijkere manier over het begrip verantwoordelijkheid nadenken. Er bevindt zich namelijk iets belangrijks in die tragische ervaring. We moeten het niet wegwerken door het hanteerbaar maken met schadeformulieren enzovoort.
Met betrekking tot het nieuwe begrijpen van verantwoordelijkheid heb ik (een beetje) geprobeerd bij te dragen door twee soorten verantwoordelijkheid te onderscheiden: ‘prospectieve’ en ‘retrospectieve’ verantwoordelijkheid. De ‘retrospectieve verantwoordelijkheid’ kan voor een deel in termen van aansprakelijkheid worden ontwikkeld. Centraal staat daarbij dus de vraag ‘Wie is schuldig voor hetgeen niet goed gegaan is?’
Nog los van het feit dat je nog het onderscheid zou kunnen aanbrengen tussen juridische en morele aansprakelijkheid, zijn de modellen van beide soorten verantwoordelijkheid identiek. De basis van de retrospectieve verantwoordelijkheid bevindt zich namelijk in de ‘prospectieve’: wij hebben een taak om ons te richten op het goed gaan van dingen. Een taak die te onderscheiden is van de aansprakelijkheid die wij als actor hebben voor die zaken waar het misgegaan is, en waarvoor we dus ‘een rekening krijgen’. De ‘prospectieve verantwoordelijkheid’ heb ik echter veel ruimer gedefinieerd: dat is een taak tot zorg voor het goede. Zo hebben we bijvoorbeeld de (prospectieve) verantwoordelijk om voor onze kinderen te zorgen dat het goed gaat. Maar we kunnen dat echter niet garanderen en niet eindeloos vertalen in retrospectieve verantwoordelijkheid.
Het begrip ‘prospectieve verantwoordelijkheid’ moeten we verder uitwerken om tot een beter toepasbaar en rijker begrip te komen.
τὸ ζητούμενον – ‘Het goede dat gezocht moet worden.’
U bent filosoof en theoloog. Op welke wijze komen deze terug in uw denken en schrijven?
Ik gebruikte zojuist het begrip τὸ ζητούμενον: het goede dat gezocht moet worden. Dionysius de Areopagiet (1e eeuw n.Chr.) gebruikt precies dát begrip als naam van God. Mijn denken kent een voortdurende gerichtheid op de vragen wat écht waar is, wat écht goed is en wat échte schoonheid is. Die gaat in zekere zin voorbij aan elke voorlopige bepaling daarvan. Voorbij aan elke identificatie daarvan door de een of door de ander; door de ene macht of de andere macht; door de ene of de andere leider.
Het gaat om het blijven zoeken dat over elke grens heen gaat. Als je dat in het Latijn vertaalt krijg je ‘transcendent’. Dat betekent letterlijk ‘over de grens heen gaan’. In mijn denken en schrijven bevindt zich een diep religieuze grondtoon. Die spreekt niet over ‘God’. Als ik het begrip God gebruik, dan zal u daar een bepaald beeld bij hebben. Dan zouden we moeten onderzoeken of we daarbij identieke beelden gebruiken. ‘God’ is een van de namen die de mensheid gegeven heeft aan dat transcenderen van elke bepaling. Aan dat over de grens gaan. Ik stipte zojuist Aristoteles aan en lichtte toe wat de mensen onderscheidt van (de andere) dieren. De mens is dát dier dat bijna niet anders kan dan over zijn grenzen heen gaan. Dat bijna niet anders kan, tenzij hij ‘verdierlijkt’.
Mens blijf je door te blijven zoeken. In die zin is de mens wezenlijk religieus.
Helaas moeten we concluderen dat te veel mensen te gemakkelijk ‘verdierlijken’. Zij leggen zich te gemakkelijk neer bij een bepaalde waarheid of bepaald normatief. Die zijn in feite ‘klaar’. Als je klaar bent ben je dier geworden. Mens blijf je door te blijven zoeken. In die zin is de mens wezenlijk religieus. Dat wezenlijke kernelement van wat een mens tot een mens maakt vraagt om gecultiveerd te worden. Als we het niet cultiveren, dan verkommert het en ontstaat de verdierlijking die zich presenteert als ‘massificatie’: het kuddegedrag.
De cultivering die nodig is die kan op verschillende manieren plaatsvinden en daarvoor heeft de mensheid in de loop der geschiedenis allerlei vormen gevonden. ‘Kunst’ is een belangrijke cultivering van dat religieuze sentiment van de onvermijdelijke trek naar transcendering. In kunst zit de poging om te laten zien dat wat je ziet iets anders is dan wat je ziet. Martinus Nijhoff (1894-1953) verwoordde het als volgt: ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’. Het reikt naar iets wat er niet is.
De verschillende religies zijn een cultivering van de religieuze aard van de mens. De filosofie is een diep religieuze activiteit omdat het een cultivering is van die verhouding van datgene waar je nooit bij kunt komen. In die zin is filosofie diep religieus, maar niet gebonden aan een bepaalde religie. De praktijk vanwaaruit ik nu spreek is die van de filosofie. Dat ik mijzelf óók beschouw als een religieus mens heeft op de eerste plaats die onderliggende, fundamentele betekenis. Persoonlijk denk en spreek ik vanuit het Rooms-Katholieke gedachtengoed.
Zijn filosofie en theologie te onderscheiden?
Ja, die zijn te onderscheiden. Een theoloog denkt in de termen - en binnen het kader - van een welbepaalde religie. In die zin is elke theologie een vorm van bidden. Filosofie bindt zich niet op die manier aan of één specifieke religie of aan een kunstenaarsstroming. Ook niet aan één filosofische leer. Mensen noemen mij wel eens een ‘Nietzscheaan’, maar dan word ik altijd een beetje boos. Ik ben geen aanhanger van Nietzsche.
Op welke wijze kwam u tot de keuze tot filosofie en theologie en deze uiteindelijk te onderwijzen?
Mijn grootvader was een handwerksman, een wagenmaker, met vijf kinderen. Mijn vader was een van die vijf waarvan er eentje naar het seminarie ging en dus veel geld kostte. De anderen konden daardoor niet meer studeren. Mijn vader werd onderwijzer. Mijn ouders hadden zeven kinderen. Boven mij zat een meisje dat naar het Gymnasium ging, maar niet de ambitie had om (verder) te gaan studeren, hetgeen mijn ouders destijds ook vanzelfsprekend vonden. Dat ik die vrij goede leerling zou zijn die naar het Gymnasium zou gaan vond mijn vader tamelijk onwaarschijnlijk. Dat was volgens hem ‘nog niet zo gemakkelijk’. Nu had ik op dat moment de ambitie om priester te worden en wilde (dus) naar het seminarie.
Dat ik die vrij goede leerling zou zijn vond mijn vader tamelijk onwaarschijnlijk.
Om echter priester te kunnen worden – dat was destijds mijn ambitie – moest ik echter naar het Gymnasium. Mijn vader was dus niet overtuigd en gaf aan dat ik eerst maar eens het toelatingsexamen moest doen voor de toenmalige MULO. Toen ik dat vrij gemakkelijk behaalde moest ik vervolgens maar eerst het toelatingsexamen doen voor de toenmalige HBS. Dat deed ik met succes en pas toen mocht ik vervolgens het toelatingsexamen doen voor het Gymnasium. Op het seminarie gaven ze echter aan dat dát toch echt niet meer nodig was. Ik werd uiteindelijk zonder toelatingsexamen toegelaten tot het Gymnasium, i.e. de entree naar het seminarie.
Ik beschrijf dit omdat het allemaal volstrekt niet vanzelfsprekend was. Ik ben van kort na de Tweede Wereldoorlog. Dat was een periode van emancipatie waarin hele bevolkingsgroepen überhaupt op het niveau van het hoger onderwijs moesten komen. Bij afronding van het Gymnasium wist ik inmiddels dat ik geen priester wilde worden. Dankzij de klassieke talen had ik de Filosofie ontdekt. Met Plato, Seneca (± 4 v.Chr-65 n.Chr.) en Augustinus (354-430) had ik contact. Ik snapte waar de teksten betrekking op hadden. Uiteindelijk ben ik als theoloog afgestudeerd aan de universiteit, maar wel met het idee dat Filosofie toch het mooiste was. Binnen Theologie rondde ik ruim veertig tentamens Filosofie af. Toen ik alsnog besloot om Filosofie te gaan studeren in Leuven mocht ik direct starten met mijn Licentie (nu: Masters). Mijn kandidaatsscriptie voor Theologie ging over de verhouding tussen Theologie en Filosofie.
Mijn doctoraalscriptie binnen Theologie ging over ‘De ethiek in de psychoanalyse van Freud’. Aan het einde van mijn Theologieopleiding was ik eigenlijk Filosoof met een sterke interesse in de Psychoanalyse. Mijn scriptie binnen de opleiding Filosofie spitste zich toe op Nietzsche’s ‘Also sprach Zarathustra’.
Waren er ook andere routes in uw loopbaan mogelijk geweest?
Die vraag is niet zinnig te beantwoorden. De tijd is anders. Als ik dezelfde zou zijn als toen is het antwoord ‘Ja’. Op dit moment is het onwaarschijnlijk dat iemand Theologie gaat studeren. In die tijd was het een voor de hand liggende route binnen de geschetste emancipatiecontext en een route om op te klimmen.
In mijn studiekeuzes heb ik nooit op een punt gestaan om de keuze te maken tussen linksaf, rechtsaf of rechtdoor. De route naar de Filosofie was voor mij volstrekt helder. Voor Geschiedenis heb ik een te slecht geheugen. De studie Rechten vond ik interessant, met name de hele sfeer rond de rechtspraak, met name het Strafrecht.
Dit laatste vanwege het spanningsveld in ‘Recht & Moraal?
Ja, maar meer in algemene zin is ‘Het Recht’ natuurlijk überhaupt een ultieme poging om hetgeen wij zoeken voor het moment of een bepaalde tijd maar eens vast te leggen. Een goede Jurist voelt voortdurend de spanning tussen wat vastgelegd is en waar het eigenlijk om gaat. Die spanning, dát is spannend. Is hetgeen de wet voorschrijft ook rechtvaardig?
U stipt zojuist het begrip ‘tijd’ aan. Wat verstaat u onder ‘tijd’?
Augustinus (354-430 n.Chr.) stelt zichzelf die vraag en antwoordt dan: als niemand ernaar vraagt, weet ik het wel, maar zodra je ernaar vraagt, weet ik geen antwoord. Ik kan het niet beter zeggen dan hij.
Welke vraag werd u nooit gesteld, maar wilde u altijd al beantwoorden?
(Denkt na.) Dat weet ik niet. (Stilte en denkt verder na.) Dat is een perfecte vraag voor op de theezakjes van Douwe Egberts.
Ben ik een vraag vergeten te stellen?
Nee, u heeft voldoende vragen gesteld.
“Der Andere könnte recht haben.“
Met welke quote wilt u vandaag afsluiten?
Ter inleiding van mijn antwoord: Hans-Georg Gadamer (1900-2003) was een Duitse filosoof en een grote man van de hermeneutiek. Hij werd door de ‘Süddeutsche Rundfunk (SDR)’ op een geweldige wijze geportretteerd in een serie prachtige uitzendingen over de geschiedenis van de Filosofie. Gadamer zat simpelweg op een stoel en vertelde. De laatste uitzending spitste zich toe op Gadamer’s eigen positie binnen de Filosofie en hem werd de volgende vraag gesteld: ‘Heer professor, kunt u uw filosofie in vijf woorden samenvatten?’
Gadamer dacht na, en antwoordde: “Der Andere könnte recht haben“.
Het overschrijden van de grenzen van de alledaagse zintuiglijke werkelijkheid en ons normale bewustzijn vereist een fundamentele openheid, een verandering van perspectief en een oprecht luisteren. Niet alleen om te winnen, maar ook om samen kennis op te doen. Wat ik vandaag aanstipte ten aanzien van transcendentie is precies dit.
De quote waarmee ik onze dialoog vandaag graag afsluit is dan ook:
‘Het zou kunnen zijn dat de ander gelijk heeft.’ - Hans-Georg Gadamer.
OVER PAUL VAN TONGEREN
Emeritus Hoogleraar Wijsgerige Ethiek & Denker des Vaderlands (2021-2023)
Paul van Tongeren (Deventer, 1950) studeerde Theologie in Utrecht en Filosofie in Leuven. In Leuven promoveerde hij op een proefschrift over Nietzsches moraalkritiek. In de periode 1985 – 1991 was hij bijzonder hoogleraar Wijsbegeerte namens de Radboud Stichting aan de Universiteit Leiden, met als leeropdracht ‘Wijsbegeerte in relatie tot de Katholieke levensbeschouwing’. Paul van Tongeren was van 1988 – 2015 gewoon hoogleraar Wijsgerige Ethiek aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, en van 2002-2016 buitengewoon hoogleraar Ethiek aan de KU Leuven, België.
Naast het universitaire onderwijs gaf Paul van Tongeren lezingen en gastcolleges voor particuliere bedrijven en publieke organisaties in een groot aantal landen, en publiceerde hij in vele talen.
Met ‘Leven is een kunst: over morele ervaring, deugdethiek en levenskunst’ won Van Tongeren in 2013 de Nederlandse ‘Socratesbeker’ voor het urgentste en oorspronkelijkste Nederlandstalige filosofieboek. In het boek zet Van Tongeren de lezer aan om het eigen leven kritisch te onderzoeken teneinde er een kunstwerk van te maken.
Paul van Tongeren is sinds 2005 lid van het Filosofisch Elftal van Trouw. Voor de periode 2021 – 2023 verleende de ‘Stichting van de Maand van de Filosofie’ Van Tongeren de eretitel ‘Denker des Vaderlands’. Deze titel wordt sinds 2011 elke twee jaar verleend aan een gerenommeerd denker.
Paul van Tongeren werd in 2002 koninklijk onderscheiden en benoemd tot ‘Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw’. Op 11 december 2015 hield hij zijn afscheidsrede in de Stevenskerk te Nijmegen.




Opmerkingen